Appellante heeft bij de rechtbank Rotterdam verzocht om toepassing van de schuldsaneringsregeling vanwege een schuldenlast van ruim €411.000, ontstaan door foutieve declaraties als bestuurder van een zorginstelling. De rechtbank wees het verzoek af omdat onvoldoende aannemelijk was dat zij in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek te goeder trouw was geweest met betrekking tot het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden.
In hoger beroep betoogt appellante dat zij door psychische overmacht niet in staat is werkzaamheden te verrichten en dat de rechtbank onterecht uitgaat van een hypothetische situatie gebaseerd op een aangifte van frauduleus handelen. Het hof beoordeelt echter dat uit onder meer vonnissen en verklaringen blijkt dat appellante niet te goeder trouw was, mede vanwege tegenstrijdigheden over haar werkzaamheden en inkomsten in de relevante periode.
Daarnaast is onvoldoende aannemelijk dat appellante de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zal nakomen, waaronder de informatieplicht en inspanningsverplichting om baten te verwerven. Haar psychische problematiek is niet adequaat onderbouwd met medische rapportages en zij volgt momenteel alleen medicamenteuze behandeling. De hardheidsclausule wordt niet toegepast omdat de afwijzingsgronden zwaarwegend zijn.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af.