ECLI:NL:GHDHA:2022:2328
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing incidentele vordering tot schorsing tenuitvoerlegging vonnis kantonrechter inzake achterstallig loon
In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter waarin zij is veroordeeld tot betaling van achterstallig loon en pensioenpremies aan geïntimeerde. Tegelijkertijd verzocht appellant om schorsing van de tenuitvoerlegging van dit vonnis, stellende dat onmiddellijke executie zou leiden tot haar faillissement.
Het hof overwoog dat de bevoegdheid tot executie in beginsel toekomt aan de executant, ook tijdens hoger beroep, tenzij sprake is van misbruik of een noodtoestand. Appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij door betaling van het vonnis in een toestand van faillissement zal verkeren. De financiële stukken en omstandigheden boden onvoldoende bewijs voor een acute noodsituatie.
Daarnaast weegt het belang van geïntimeerde bij onmiddellijke tenuitvoerlegging zwaar, mede omdat hij reeds eerdere betalingen ontving en investeringen deed na ontslag. De stelling dat het vonnis op een juridische misslag berust, werd eveneens verworpen. Het hof wees daarom de vordering tot schorsing af en veroordeelde appellant in de kosten van het incident.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter wordt afgewezen.