ECLI:NL:GHDHA:2022:2638
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep inzake WOZ-waarde en proceskostenvergoeding woning Den Haag
Belanghebbende, eigenaar van een woning in Den Haag, maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde en de daarop gebaseerde aanslag onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 2020. De Heffingsambtenaar stelde de waarde vast op €188.000 en verklaarde het bezwaar ongegrond. Belanghebbende stelde beroep in bij de Rechtbank, dat eveneens ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof.
In het hoger beroep stond centraal of belanghebbende ontvankelijk was en of de Heffingsambtenaar in de bezwaarfase alle relevante stukken, zoals grondstaffels, KOUDV- en liggingsfactoren, en informatie over VvE-reserves, had verstrekt. Het Hof oordeelde dat de gemachtigde van belanghebbende bevoegd was om het hoger beroep in te stellen en dat belanghebbende een voldoende belang had, ook met het oog op de proceskostenvergoeding.
Het Hof stelde vast dat er werkafspraken waren gemaakt waarbij geen fysieke hoorzitting werd gehouden, waardoor het inzagerecht aan de hoorzitting gekoppeld niet van toepassing was. De Heffingsambtenaar had het taxatieverslag aan de gemachtigde verstrekt en verklaarde geen gebruik te maken van grondstaffels of KOUDV- en liggingsfactoren. Het Hof vond dat de Heffingsambtenaar daarmee aan zijn verplichtingen had voldaan en dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het Hof zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt daarmee de eerdere beslissing van de Rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.