ECLI:NL:GHDHA:2022:2752
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WOZ-waarde woning na hoger beroep tegen aanslag onroerende-zaakbelasting
Belanghebbende is eigenaar van een appartement uit 2017 en betwist de vastgestelde WOZ-waarde van €441.000 voor het kalenderjaar 2020. Hij stelt dat de waarde te hoog is en voert een lagere waarde van €434.000 aan, gebaseerd op een geïndexeerde koopsom uit 2017.
De Heffingsambtenaar heeft de waarde vastgesteld met een systematische vergelijkingsmethode, gebruikmakend van drie vergelijkbare woningen in dezelfde buurt, waarbij correcties zijn toegepast voor verschillen in inhoud, onderhoudstoestand, kwaliteit en aanwezigheid van een ligplaats. Tevens zijn de toegepaste indexeringspercentages toegelicht met grafieken gebaseerd op 486 verkoopcijfers van appartementen in de gemeente.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Gerechtshof bevestigt dit oordeel. Het Hof oordeelt dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn en dat de Heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De bezwaren van belanghebbende, waaronder de correctie voor de VvE-reserve, ligging aan een drukke weg en de gehanteerde indexeringspercentages, zijn niet overtuigend. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de WOZ-waarde van €441.000 en verklaart het hoger beroep ongegrond.