Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 1 november 2022
Het geding
- de aan [geïntimeerde 1] en aan [geïntimeerde 2] uitgebracht appeldagvaardingen van 14 juni 2021, waarin [appellant] hoger beroep instelt tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 maart 2021, hierna het bestreden vonnis;
- het procesdossier uit de eerste aanleg, met uitzondering van het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank op 22 januari 2021, dat niet is overgelegd;
- de memorie van grieven waarin [appellant] drie grieven aanvoert tegen het bestreden vonnis, zijn vorderingen zowel vermindert als ook vermeerdert en waarbij hij de producties 9 tot en met 20 overlegt;
- de memorie van antwoord van de zijde van [geïntimeerden] , waarbij de producties 15 tot en met 33 zijn overgelegd;
- schriftelijk pleidooi van [geïntimeerden] met bijgevoegd de producties 34 tot en met 41;
- schriftelijk pleidooi van [appellant] .
Korte weergave van de zaak
Het bestreden vonnis, de vorderingen van [appellant] en de conclusie van [geïntimeerden]
in conventie:
in reconventie:
subsidiair:voor recht zal verklaren dat [geïntimeerde 2] onrechtmatig heeft gehandeld jegens moeder en vader, zodat die schade hebben geleden en de nalatenschap een schadevordering op [geïntimeerde 2] heeft, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
meer subsidiair:voor recht zal verklaren dat [geïntimeerde 2] ongerechtvaardigd is verrijkt, zodat de nalatenschap een vordering heeft op [geïntimeerde 2] , nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
Beoordeling van het hoger beroep
- Mijn zoon, de heer [geïntimeerde 1] ...,
- Mijn dochter, mevrouw [geïntimeerde 2] ...,