ECLI:NL:GHDHA:2022:2857

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
2 augustus 2022
Publicatiedatum
4 april 2023
Zaaknummer
200.308.093/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 347 lid 1 RvArt. 3.3 SORArt. 3.4 SORArt. 3.6 SORArt. 4.2 SOR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis ontruiming en betaling gebruiksvergoeding door Gerechtshof Den Haag

In deze civiele zaak is appellant in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de kantonrechter Rotterdam van 4 februari 2022, waarin hij werd veroordeeld tot ontruiming en betaling van een gebruiksvergoeding aan Stichting Woonstad Rotterdam.

Het hoger beroep is behandeld volgens de Second Opinion-procedure, waarbij beide partijen instemden met deze versnelde procedure en het hof de zaak herbeoordeelde op basis van de stukken uit eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de grieven van appellant, die stelde dat de kantonrechter ten onrechte de vordering van Woonstad had toegewezen.

Na bestudering van het dossier en de grieven heeft het hof zich aangesloten bij de overwegingen van de kantonrechter en het vonnis bekrachtigd. Het hof heeft appellant veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, die beperkt zijn tot het griffierecht en een punt advocaatkosten voor de mondelinge behandeling.

De uitspraak werd gedaan op 2 augustus 2022 door het Gerechtshof Den Haag, waarbij het vonnis van de kantonrechter ongewijzigd bleef en appellant werd veroordeeld tot betaling van € 783,- griffierecht en € 1.114,- aan advocaatkosten.

Uitkomst: Het Gerechtshof Den Haag bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt appellant tot ontruiming en betaling van gebruiksvergoeding en kosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer: 200.308.093/01
Zaak-/rolnummer rechtbank: 9607979 \ VV EXPL 21-540
Publicatienummer vonnis: ECLI:NL:RBROT:2022:736

Arrest van 2 augustus 2022

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. H.J.J. Hendrikse te Amsterdam,
tegen:

Stichting Woonstad Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,
geïntimeerde,
hierna te noemen: Woonstad,
advocaat: mr. E.J. Lichtenveldt te Rotterdam.

Het geding

1. Bij exploot van 3 maart 2022 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis in kort geding van de kantonrechter te Rotterdam van 4 februari 2022. Bij arrest van 5 april 2022 heeft het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast. Deze is gehouden op 20 mei 2022. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Ter zitting hebben partijen verzocht om toelating tot de Second Opinion-procedure. Beide partijen hebben daartoe een ingevuld en ondertekend SO-formulier als bedoeld in het Second Opinion Reglement (SOR) ingediend. Het verzoek tot toelating tot de Second Opinion-procedure is toegewezen, waarna arrest is bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep volgens de Second Opinion-procedure

2. Door indiening van de SO-formulieren hebben partijen ingestemd met het SOR en worden zij geacht de conclusies als bedoeld in artikel 347 lid 1 Rv Pro te hebben genomen (artikelen 3.3 en 3.4 SOR). De grief van [appellant] bestaat eruit dat de kantonrechter ten onrechte de vordering van Woonstad heeft toegewezen door [appellant] te veroordelen tot ontruiming en tot betaling van een gebruiksvergoeding, buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.
3. Partijen hebben ermee ingestemd dat het hof de zaak herbeoordeelt in de stand waarin deze zich bevond op het tijdstip waarop voor het laatst vonnis werd gevraagd (artikel 3.6 SOR). De zaak wordt in hoger beroep dus herbeoordeeld aan de hand van de stukken in eerste aanleg met inachtneming van de grief.
4. Het hof – dat kennis heeft genomen van de stukken in eerste aanleg – verenigt zich met de overwegingen van de kantonrechter en maakt die tot de zijne. Het vonnis zal derhalve worden bekrachtigd. Dit behoeft, gezien artikel 4.2 SOR, geen nadere motivering.
5. Als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, die ingevolge artikel 4.4 SOR beperkt zijn tot het door Woonstad betaalde griffierecht en één punt volgens het toepasselijke liquidatietarief voor de mondelinge behandeling.

Beslissing

Het hof:
- bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van 4 februari 2022;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Woonstad bepaald op € 783,- aan griffierecht en op € 1.114,- aan salaris voor de advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.E.H.M. Pinckaers, M.A.F. Tan-de Sonnaville en A.A. Muilwijk-Schaaij en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 augustus 2022 in aanwezigheid van de griffier.