De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot tien weken gevangenisstraf wegens het uitgeven van valse bankbiljetten van 50 euro bij een Albert Heijn in 's-Gravenhage op 15 november 2019. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in. De advocaat-generaal vorderde een zwaardere straf, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte vanwege gebrek aan opzet.
Het hof oordeelde dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de biljetten vals waren, gezien de afwijkende uiterlijke kenmerken die door het winkelpersoneel werden vastgesteld en het feit dat de verdachte de biljetten zelf in handen had gehad. Daarmee werd het opzet bewezen verklaard.
De straf werd gemotiveerd met het ernstige karakter van het feit, dat de betrouwbaarheid van het betalingsverkeer schaadt, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die niet eerder met justitie in aanraking was gekomen en in het buitenland een bouwbedrijf runt. Het hof legde een gevangenisstraf van 28 dagen op, gelijk aan de duur van het voorarrest, en vernietigde het eerdere vonnis.