Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
1 oktober 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 april 2022, waarin verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk uitgeven van valse bankbiljetten, strafbaar gesteld in artikel 213 Sr Pro.
Het cassatieberoep werd ingesteld door de verdachte, bijgestaan door zijn advocaat. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep, waarop de raadsman van de verdachte schriftelijk reageerde. De Hoge Raad heeft de ingebrachte klachten beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest.
De Hoge Raad motiveert niet uitvoerig omdat de klachten geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling of rechtsvorming bevatten, conform artikel 81 lid 1 RO Pro. Tevens constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn van berechting is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gelet op de opgelegde gevangenisstraf van 28 dagen acht de Hoge Raad dit echter niet aanleiding tot een ander rechtsgevolg.
De Hoge Raad besluit het cassatieberoep te verwerpen, waarmee het hofarrest in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot 28 dagen gevangenisstraf blijft in stand.