Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 22 februari 2022 (bij vervroeging)
in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van:
[appellant] ,
1. [naam beheer B.V.] ,
Waar de zaak over gaat
Het verloop van de procedure in hoger beroep
- het procesdossier van de eerste aanleg, waaronder het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 september 2020 (hierna: het bestreden vonnis);
- de dagvaarding in hoger beroep van 26 november 2020;
- de memorie van grieven van [appellant] , met daarin opgenomen acht grieven (met één productie);
- de memorie van antwoord van [geïntimeerden] ;
- de akte overlegging productie 15 van [geïntimeerden] (met productie 15);
- de akte overlegging productie 19 van [appellant] (met productie 19).
De feiten
(…) De waarde bepaling is rond de 4,5 miljoen euro, anders gaat het gewoon niet weg.
(...) Zoals telefonisch besproken hierbij de voorlopige koop-overeenkomst waarin de afspraken staan die wij op 10 oktober j.l. met elkaar hebben gemaakt. Graag de ontbrekende informatie over adressen invullen. Tevens eventuele aanvullingen/ wijzigingen graag bijhouden in het document. (...).”
(…)
- verkoper een koopoptie zal verstrekken aan koper voor de koop van alle aandelen in de vennootschap;
- (…)
Indien partijen op basis van gevoerd overleg tot bepaling van de uitgangspunten van de overname komen zal een notariële koopoptie worden opgesteld, waarin de gebruikelijke voorwaarden en bedingen zullen worden opgenomen.
(…) Ik heb er met mijn moeder nog over gehad over de zaak verkopen. Dat willen we wel,
(...) Helaas moet ik je gewoon melden dat het niet door gaat om de continuïteit van het
(...) De deal gaat niet door er moest ook nog een Due-diligence onderzoek komen. De
De vordering van [appellant] en het vonnis van de rechtbank
De grieven en de vorderingen in hoger beroep
De beoordeling van het hoger beroep
We hebben gesproken over de eerder genoemde RvC. Ik heb aangegeven dat [geïntimeerde sub 2] daar in plaats zou kunnen nemen, enigszins grappend heb ik gezegd, jij wordt daarvan voorzitter en dan sluiten we af met bitterballen. Er is besproken dat ik dan ook commissaris zou worden. Een naam voor de derde commissaris is op dat moment niet ingevuld. Wel dat [appellant] statutair bestuurder zou worden en het bedrijf feitelijk zou gaan leiden. [geïntimeerde sub 2] zou nog een functie houden en een deel van de bedrijfsvoering doen in verband met een persoonlijke relatie met een aantal klanten of producten, dat weet ik niet meer precies.”
Tijdens dit gesprek is als opzet besproken dat [appellant] leiding zou geven aan het bedrijf. Er zou wel een functie blijven bestaan voor [geïntimeerde sub 2] . Er is toen ook gesproken over het instellen van een Raad van Commissarissen. (…) Ik was wel benieuwd naar de details van de uitwerking.”
Er is toen uitgebreid door [appellant] gesproken over de fiscale aspecten. Ik heb dat maar laten gaan. Aan het eind van het gesprek was de conclusie dat er een concept gemaakt zou worden waar wij wijzigingen of aanpassingen op konden aangeven. (…)
In mijn optiek zou hetgeen schriftelijk zou worden uitgewerkt vervolgens nog fiscaal moeten worden getoetst omdat ik niet zeker wist of de fiscale problematiek hiermee ondervangen werd. (…) Naar mijn mening waren hiermee contouren aangegeven waar je mee verder kon. Het was dus een constructief gesprek maar wel wat eenzijdig omdat dit voorstel uit de koker kwam van [adviseur].”
Het stuk[het concept voorlopige koopovereenkomst, hof]
was nog niet door een advocaat mijnerzijds bekeken. (…) Mijn advocaat zou het stuk voor de bespreking met de familie nog bekijken en eventueel aanpassen.”
Partijen zullen in nader overleg treden (…)” en “
Indien partijen op basis van gevoerd overleg tot bepaling van de uitgangspunten van de overname komen zal een notariële koopoptie worden opgesteld (…)” (zie rov. 2.11 hiervoor, artikelen 2 en 3), ondersteunen dit. Daarbij tekent het hof nog aan dat de voorlopige koopovereenkomst in het document zelf wordt gekwalificeerd als een ‘intentieovereenkomst’ (zie rov. 2.11 hiervoor, artikel 4). Dit onderschrijft wat het hof hiervoor reeds heeft overwogen: dat partijen op 10 oktober 2017 nog geen definitieve overeenstemming hadden bereikt over de essentialia van de transactie.
De conclusie van het voorgaande is dat niet aangenomen kan worden dat tussen partijen een overeenkomst met de door [appellant] gestelde inhoud, zoals vastgelegd in artikel 1 van Pro de ‘voorlopige koop-overeenkomst’, tot stand is gekomen. De grieven I tot en met VII falen daarom.