ECLI:NL:GHDHA:2022:321

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
2 maart 2022
Publicatiedatum
2 maart 2022
Zaaknummer
2200323219
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.10 WDArt. 350 lid 2 SrArt. 404 lid 5 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid OM wegens onjuiste tenlastelegging doden hond

De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 27 november 2018 in Den Haag een hond had gedood, waarbij artikel 2.10 van de Wet Dieren (WD) werd toegepast. In eerste aanleg werd hij vrijgesproken voor het eerste tenlastegelegde feit en veroordeeld tot 30 dagen gevangenisstraf voor het tweede.

In hoger beroep stelde de verdediging dat artikel 2.10 WD alleen ziet op het doden van een eigen dier, terwijl artikel 350 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is bij het doden van een dier van een ander, zoals ook bepaald in de Richtlijn voor strafvordering dierenmishandeling en dierenverwaarlozing van het College van procureurs-generaal.

Het hof oordeelde dat het OM niet had gemotiveerd waarom van deze richtlijn zou moeten worden afgeweken en dat het tenlastegelegde artikel onjuist was toegepast. Het hof verklaarde het OM daarom niet-ontvankelijk in de vervolging en vernietigde het vonnis van beroep.

Uitkomst: Het hof verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wegens onjuiste toepassing van het wetsartikel bij het doden van een hond van een ander.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003232-19
Parketnummer: 09-818161-18
Datum uitspraak: 2 maart 2022
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 juni 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum] 1970,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, met aftrek van voorarrest. Voorts is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
Namens de verdachte is tegen het vonnis beperkt hoger beroep ingesteld, te weten tegen de beslissing ten aanzien van het onder 2 tenlasteglegde.
Omvang van het hoger beroep
Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.
Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover thans in hoger beroep nog aan de orde - tenlastegelegd dat:
2.
hij op of omstreeks 27 november 2018, te Den Haag, Nederland, een dier, behorend tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen diersoorten of diercategorieën, te weten: een hond, heeft gedood.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis van beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank heeft miskend dat de Wet Dieren (hierna: ‘WD’) ziet op het doden van een eigen dier en artikel 350 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: ‘Sr’) het doden van een dier van een ander, althans dat dit onderscheid wordt gemaakt in de Richtlijn voor strafvordering dierenmishandeling en dierenverwaarlozing 2015R017 en 2021R005 van het College van procureurs-generaal (laatstgenoemde Richtlijn hierna: ‘de Richtlijn’). De rechtbank had het Openbaar Ministerie derhalve niet-ontvankelijk moeten verklaring. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat dit in hoger beroep alsnog dient te gebeuren.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De Richtlijn bepaalt met zoveel woorden dat bij het doden van een gehouden dier artikel 2.10 WD van toepassing is. Bij het doden van een dier van een ander is artikel 350 lid 2 Sr Pro van toepassing. Nu de verdachte wordt verweten de hond van zijn buurman gedood te hebben, is het hof, zoals bepleit door de raadsman, van oordeel dat niet artikel 2.10 WD tenlastegelegd had moeten worden maar artikel 350 lid 2 Sr Pro.
Het hof stelt vast dat van de zijde van het Openbaar Ministerie iedere motivering is uitgebleven dat sprake is van bijzondere omstandigheden die meebrengen, althans rechtvaardigen dat van het bepaalde in de Richtlijn zou moeten worden afgeweken. Van het bestaan van dergelijke bijzondere omstandigheden is het hof ook overigens niets gebleken.
Gelet op het voorgaande zal het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het Openbaar Ministerie ter zake van het tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.
Dit arrest is gewezen door Chr.A. Baardman,
mr. C.M. Derijks en mr. J.W. van den Hurk, in bijzijn van de griffier mr. C.M. Jellema.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 maart 2022.