Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
19 december 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie van het openbaar ministerie tegen een arrest van het hof Den Haag waarin het OM niet-ontvankelijk werd verklaard in de vervolging van de verdachte wegens het doden van de hond van een ander. Het hof baseerde zijn oordeel op de Richtlijn voor strafvordering dierenmishandeling en dierenverwaarlozing (2021R005), die sinds 1 december 2021 geldt, terwijl de gedraging plaatsvond in november 2018.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte de latere richtlijn heeft toegepast in plaats van de op dat moment geldende richtlijn (2015R017). De richtlijn uit 2015 was van toepassing op het moment van de tenlastelegging en bepaalt dat artikel 350 lid 2 Sr Pro van toepassing is bij het doden van een dier van een ander. Het hof had het OM niet-ontvankelijk moeten verklaren op basis van de juiste richtlijn.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe beoordeling en afdoening. Dit arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken op 19 december 2023.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onjuiste toepassing van de richtlijn.