Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 1 maart 2022
[appellante],
[geïntimeerde 1],
[geïntimeerde 2],
Gerechtshof Den Haag
Op 14 mei 2013 heeft de toen minderjarige zoon van appellante een zwaar mesincident veroorzaakt waarbij een ander zwaar letsel opliep in Griekenland. De zoon is strafrechtelijk veroordeeld en aansprakelijk gesteld voor de letselschade. De curator, appellante, werd door de rechtbank aansprakelijk gehouden voor de schade en veroordeeld tot vergoeding, met uitvoerbaar bij voorraadverklaring.
Appellante kwam in hoger beroep tegen deze veroordeling en vorderde incidenteel schorsing van de uitvoerbaarheid van het vonnis, vanwege het risico op restitutie en kennelijke misslagen in het vonnis. Het hof overweegt dat een veroordeling in beginsel uitvoerbaar moet zijn, tenzij het belang van de veroordeelde zwaarder weegt dan dat van de wederpartij.
Het hof acht het belang van appellante bij behoud van de bestaande toestand zwaarder, mede vanwege de omvangrijke en verstrekkende aard van de aansprakelijkheid en het feit dat de aansprakelijkheid nog in hoger beroep wordt getoetst. Ook is het voorstelbaar dat de hoofdzaak spoedig wordt afgedaan. De vordering tot schorsing wordt daarom toegewezen, met compensatie van de kosten van het incident en een rolzitting voor verdere processtukken.
Uitkomst: Het hof wijst de incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring toe en houdt verdere beslissing aan.