Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
12 april 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft de aansprakelijkheid van een curator voor de mishandeling van een derde door haar onder curatele gestelde zoon, waarbij Grieks recht van toepassing is. De curator had haar zoon, die onder curatele stond wegens een geestelijke stoornis, zonder toezicht en medicatie achtergelaten in Griekenland. Het slachtoffer liep ernstige letsels op door mishandeling.
De rechtbank had de curator aansprakelijk gesteld en veroordeeld tot schadevergoeding. Het hof vernietigde dit vonnis en wees de vorderingen af, stellende dat de curator voldoende zorg had betracht en dat het risico op mishandeling niet voorzienbaar was. Het hof paste art. 923 Grieks Pro Burgerlijk Wetboek toe, dat toezichtplicht regelt, en oordeelde dat de curator niet tekort was geschoten.
De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door zonder reactie van eisers uit te gaan van stellingen en een bijsluiter over medicatie. Tevens heeft het hof onjuist de bewijslast bij eisers gelegd, terwijl op grond van art. 923 GBW Pro de curator moet bewijzen dat zij haar toezichtplicht heeft nageleefd of dat schade niet voorkomen kon worden.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en verwijst de zaak voor hernieuwde beoordeling naar het gerechtshof Amsterdam, met nadruk op een correcte toepassing van hoor en wederhoor en de juiste bewijslastverdeling. De curator wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten in cassatie.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde beoordeling, waarbij de curator in de kosten van het cassatiegeding wordt veroordeeld.