In deze zaak hebben de ouders hoger beroep ingesteld tegen twee beschikkingen van de kantonrechter betreffende onderbewindstelling en mentorschap. De bestreden beschikkingen dateren van 8 maart 2021, met een beroepstermijn die op 8 juni 2021 afliep. De ouders dienden hun beroepschrift echter niet tijdig in bij het juiste gerecht, het gerechtshof Den Haag.
De ouders hadden hun beroepschrift gericht aan de rechtbank Rotterdam, wat niet het bevoegde gerecht was. Het hof oordeelde dat er geen doorzendplicht bestaat wanneer het beroepschrift aan het verkeerde gerecht is gericht, ook niet wanneer sprake is van taalbarrières of onvoldoende kennis van het rechtssysteem. Hierdoor werd het hoger beroep pas op 7 juli 2021 bij het juiste gerecht ingediend, na het verstrijken van de beroepstermijn.
Het hof verklaarde de ouders daarom niet-ontvankelijk in hun hoger beroep, waardoor de bestreden beschikkingen van onderbewindstelling en mentorschap ongewijzigd blijven. Er werd geen inhoudelijk oordeel gegeven over de zaak. De beslissing werd op 13 april 2022 in het openbaar uitgesproken door drie rechters van het gerechtshof Den Haag.