Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[geïntimeerde A],
1.Waar de zaak over gaat
2.Het procesverloop in hoger beroep
- de appeldagvaarding van 6 mei 2020 waarbij de curator in hoger beroep is gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van 19 februari 2020 van de rechtbank Den Haag (hierna ook: het bestreden vonnis);
- de memorie van grieven, met producties;
- de memorie van antwoord, met productie.
3.De feiten
4.De procedure bij de rechtbank
5.Het hoger beroep
6.De beoordeling van het hoger beroep
grief I en grief IIvoert de curator aan dat de rechtbank in haar vonnis ten onrechte heeft overwogen (in rov. 5.10) dat de curator onvoldoende feiten en/of omstandigheden heeft gesteld die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat [geïntimeerden] van hun handelwijze persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
grief IIIvoert de curator aan dat de rechtbank in haar vonnis ten onrechte heeft overwogen (in rov. 5.13) dat de curator onvoldoende feiten of omstandigheden heeft gesteld die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat – verkort weergegeven – [geïntimeerden] als bestuurders van [B.V. I] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt voor de omstandigheid dat de aandelen van [B.V. I] in februari 2017 zijn overgedragen aan [D], omdat dit verwijt primair de aandeelhouder van [B.V. I] treft.
grief IVvoegt de curator daar nog aan toe dat de rechtbank in haar vonnis ten onrechte heeft overwogen (in rov. 5.11) dat de curator onvoldoende feiten en/of omstandigheden heeft gesteld die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat sprake is geweest van doorgeleiding van gelden door [B.V. I] waardoor [B.V. I] niet aan haar ongedaanmakingsverplichtingen heeft kunnen voldoen.
3.540 (2,0 punt x tarief V á € 1.770,-)
6.556 (2,0 punt x tarief V á € 3.278,-)
7.De beslissing
opnieuw rechtdoende:
- veroordeelt [geïntimeerde A] en [geïntimeerde B], hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de curator van een bedrag aan schadevergoeding, nader op te maken bij staat;
- veroordeelt [geïntimeerde A] en [geïntimeerde B] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van het geding, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 5.657,78 in eerste aanleg en € 8.484,78 in hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over deze bedragen, met ingang van de vijftiende dag na het wijzen van dit arrest tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt [geïntimeerde A] en [geïntimeerde B], hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de na dit arrest ontstane kosten, begroot op € 131,- aan salaris advocaat te vermeerderen, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit arrest is voldaan, en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit arrest tot aan de voldoening;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde.