ECLI:NL:GHDHA:2023:1005
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn in WOZ-zaak
Belanghebbende is eigenaar van een woning waarvan de WOZ-waarde voor 2020 werd vastgesteld op €220.000, later verminderd naar €212.000 na bezwaar. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af, ondanks dat de termijn van twee jaar was overschreden. De rechtbank verlengde de redelijke termijn met vier maanden vanwege de beperkte beschikbaarheid van de gemachtigde.
Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze afwijzing. Het Hof onderschreef de overwegingen van de Rechtbank en oordeelde dat de overschrijding van de redelijke termijn te wijten was aan de handelwijze van de gemachtigde, die een zeer groot aantal zaken behartigt en beperkte beschikbaarheid heeft. Het Hof wees erop dat digitale zittingen geen verkorting van de redelijke termijn rechtvaardigen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 23 maart 2023 openbaar uitgesproken door het Gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen.