ECLI:NL:GHDHA:2023:1007
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning en afwijzing vergoeding immateriële schade
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning waarvan de WOZ-waarde voor 2020 door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €936.000. Tegen deze beschikking en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting werd bezwaar en vervolgens beroep ingesteld, welke beide ongegrond werden verklaard.
Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de waarde te hoog was vastgesteld en verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof overwoog dat de heffingsambtenaar de waarde op juiste wijze had bepaald aan de hand van vergelijkingsobjecten en marktontwikkelingen, en dat de door belanghebbende aangevoerde gronden onvoldoende concreet en onderbouwd waren.
Ten aanzien van het verzoek om vergoeding van immateriële schade stelde het Hof vast dat de overschrijding van de redelijke termijn mede te wijten was aan de drukke agenda van de gemachtigde van belanghebbende, die veel zaken tegelijk behandelde. Het Hof achtte dit een bijzondere omstandigheid die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigde en wees het verzoek af.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de WOZ-waarde en wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.