ECLI:NL:GHDHA:2023:1008
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning en afwijzing vergoeding immateriële schade
Belanghebbende is eigenaar van een tussenwoning uit 2019, waarvan de WOZ-waarde voor 2020 door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €580.000. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze waarde en de daarop gebaseerde aanslag, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in bij de Rechtbank Den Haag, die eveneens het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afwees.
Belanghebbende ging in hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag. Het geschil betrof de juistheid van de WOZ-waarde en de afwijzing van de immateriële schadevergoeding. Het Hof overwoog dat de heffingsambtenaar de waarde had onderbouwd met een taxatierapport en vergelijkingsobjecten, waarbij correcties waren toegepast voor verschillen in ligging, kwaliteit en inhoud. De rechtbank en het Hof vonden de gebruikte methode en waarde aannemelijk.
Belanghebbende voerde aan dat de waarde te hoog was vastgesteld, onder meer vanwege een hoge waardestijging, een te lage waardering van een schuur en een slechtere ligging. Het Hof verwierp deze gronden, onder meer omdat de waarde jaarlijks wordt vastgesteld op basis van marktgegevens en bouwkosten niet één op één leiden tot waardevermeerdering. Ook het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen, omdat de vertraging grotendeels te wijten was aan de beperkte beschikbaarheid van de gemachtigde van belanghebbende.
Het Hof bevestigde het oordeel van de Rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de WOZ-waarde van €580.000 en wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.