ECLI:NL:GHDHA:2023:1010
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn WOZ-zaak
Belanghebbende is eigenaar van een woning waarvan de WOZ-waarde voor 2020 werd vastgesteld op €529.000. Tegen deze beschikking werd bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld bij de Rechtbank Den Haag, die het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afwees.
Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, met name gericht op de afwijzing van de vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het Gerechtshof Den Haag behandelde de zaak op 9 februari 2023, waarbij de gemachtigde van belanghebbende via een digitale verbinding deelnam.
De Rechtbank had vastgesteld dat de overschrijding van de redelijke termijn deels te wijten was aan de beperkte beschikbaarheid van de gemachtigde, die een groot aantal zaken behartigt en daardoor weinig ruimte in zijn agenda heeft. Het Hof onderschreef deze conclusie en oordeelde dat de overschrijding aan belanghebbende kan worden toegerekend. Ook de mogelijkheid van digitale zittingen leidt niet tot een kortere redelijke termijn. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade werd daarom terecht afgewezen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de afwijzing van het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.