ECLI:NL:GHDHA:2023:1012
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding WOZ-zaak
Belanghebbende, huurder van een woning, stelde bezwaar tegen de WOZ-waarde vastgesteld op €174.000 voor 2020. Na afwijzing van het bezwaar door de heffingsambtenaar en vervolgens door de Rechtbank, werd hoger beroep ingesteld tegen het afwijzen van vergoeding immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Rechtbank oordeelde dat ondanks dat de bezwaar- en beroepsfase langer dan twee jaar duurden, sprake was van een bijzondere situatie vanwege de beperkte beschikbaarheid van de gemachtigde, waardoor de termijn met vier maanden werd verlengd. Het verzoek om vergoeding werd afgewezen omdat geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn.
In hoger beroep trok belanghebbende het beroep tegen de WOZ-waarde in, waardoor het geschil beperkt bleef tot de vergoeding immateriële schade. Het Hof bevestigde het oordeel van de Rechtbank en rekende de vertraging toe aan de drukke agenda van de gemachtigde, die veel zaken behartigt en beperkte beschikbaarheid heeft. Het Hof wees het verzoek af en veroordeelde partijen niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de afwijzing van vergoeding immateriële schade wegens beperkte termijnoverschrijding die aan de gemachtigde wordt toegerekend.