ECLI:NL:GHDHA:2023:1013
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn WOZ-zaak
Belanghebbende is eigenaar van twee woningen waarvoor de WOZ-waarde en de daarop gebaseerde aanslagen onroerendezaakbelasting voor 2020 zijn vastgesteld. Tegen deze beschikkingen werd bezwaar gemaakt, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in bij de rechtbank, die eveneens de beroepen ongegrond verklaarde en het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afwees.
Belanghebbende ging in hoger beroep tegen de afwijzing van de schadevergoeding. Het geschil spitste zich toe op de vraag of de rechtbank terecht de redelijke termijn had verlengd vanwege bijzondere omstandigheden. De rechtbank had geoordeeld dat de vertraging mede veroorzaakt werd door de beperkte beschikbaarheid van de gemachtigde van belanghebbende, die een groot aantal zaken behartigt en regelmatig verhinderingen meldt.
Het hof onderschreef deze beoordeling en stelde vast dat de rechtbank geen onjuiste keuzes had gemaakt bij de planning van zittingen. Het hof rekende de overschrijding van de redelijke termijn aan belanghebbende toe wegens de handelwijze van diens gemachtigde. Ook het argument dat digitalisering van zittingen tot snellere afdoening zou leiden, werd verworpen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen.