Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2017 en 2018, maar diende geen gemotiveerde bezwaarschriften in ondanks herhaalde verzoeken en uitstelmogelijkheden van de Inspecteur.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat belanghebbende onvoldoende had toegelicht waarom hij niet tijdig de motivering kon indienen, onder meer vanwege gesloten publieksbalies door COVID-19. Het Gerechtshof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de Inspecteur terecht de bezwaren niet-ontvankelijk heeft verklaard, mede omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk maakte dat hij niet in staat was de motivering tijdig te verstrekken.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen sprake was van enig vertrouwen dat uitstel zou worden verleend. De Inspecteur had belanghebbende duidelijk gewezen op de consequenties van het uitblijven van motivering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.