Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
Procesverloop” zowel het verzoekschrift van de GI als dat van de raad zijn vermeld en verderop in de bestreden beschikking de raad is aangeduid als “
de Raad voor de Kinderbescherming, Rotterdam-Dordrecht, gevestigd te Rotterdam”. Verder blijkt uit de tekst onder het kopje “
De verzoeken” en “
De Beoordeling” voldoende duidelijk dat de beschikking (mede) betrekking heeft op een verzoek dat afkomstig is van de raad. Het enkele feit dat de raad niet als verzoekende partij in de kop van de beschikking staat vermeld, leidt niet tot een ander oordeel, omdat dit vereiste niet uit de wet voortvloeit.
beideverzoeken op de hoogte was. Dat geldt eens temeer nu het een feit van algemene bekendheid is dat er tegenwoordig geregeld problemen zijn rondom de postbezorging, zoals het kwijtraken van brieven of aanzienlijke vertragingen in de bezorging ervan. Overigens volgt ook uit jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 16 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5573) dat als sprake is van feiten of omstandigheden waardoor redelijkerwijs twijfel kan bestaan of de oproeping door de opgeroepene is ontvangen, de rechter onderzoek naar deze ontvangst moet doen en, als daartoe aanleiding bestaat, de rechter de datum van de mondelinge behandeling verplaatst of een nieuwe mondelinge behandeling bepaalt. Het hof is van oordeel dat juist uit het e-mailbericht van de advocaat van de vader van 2 januari 2023, gericht aan de kinderrechter, kan worden opgemaakt dat hij (en zijn cliënt) niet bekend is (zijn) met het feit dat de raad een schriftelijk verzoek tot ondertoezichtstelling heeft gedaan dat eveneens op de zitting van 3 januari 2023 behandeld werd. De advocaat heeft zich in die e-mail immers uitsluitend in algemene bewoordingen uitgelaten over de zijns inziens onwenselijke gang van zaken in het geval de raad ter zitting een “herstel”verzoek ex artikel 1:255 BW Pro doet.
Het procesverloop” is vermeld, en waarop de beslissing dus mede is gebaseerd, zich niet in het procesdossier bevindt en dat geen van de betrokken procespartijen ermee bekend is. Aldus is de beschrijving van het verloop van het geding in de beschikking (artikel 278 lid 1 jo Pro 230 lid 1 aanhef en onder b Rv) gebrekkig.