ECLI:NL:GHDHA:2023:1443
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op medebelanghebbendebeschikking voor erfgenaam bij reguliere WOZ-beschikkingen op naam van de erven
Belanghebbende, erfgenaam van een nalatenschap, verzocht de Heffingsambtenaar om medebelanghebbendebeschikkingen voor de WOZ-waarden van onroerende zaken over de belastingjaren 2019 en 2020. De Heffingsambtenaar wees deze verzoeken af omdat reguliere WOZ-beschikkingen op naam van de erven waren genomen. Belanghebbende stelde dat hij als erfgenaam voldoende belang had en verwees naar jurisprudentie ter ondersteuning.
De Rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, stellende dat een concreet belang moet worden gesteld en dat het erfgenaamschap op zich niet voldoende is, zeker niet voor jaren na het overlijden. Het Gerechtshof Den Haag bevestigde dit oordeel in hoger beroep. Het hof oordeelde dat belanghebbende geen recht heeft op medebelanghebbendebeschikkingen omdat hij samen met zijn zus als erfgenamen de reguliere beschikkingen kon aanvechten.
Daarnaast oordeelde het hof dat geen sprake was van schending van het fairplaybeginsel door de Heffingsambtenaar. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om medebelanghebbendebeschikkingen wordt afgewezen.