ECLI:NL:GHDHA:2023:1566
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake teruggeleiding minderjarige onder Haags Kinderontvoeringsverdrag
Deze zaak betreft het verzoek van de vader tot teruggeleiding van zijn minderjarige kind naar Spanje op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980. De rechtbank Den Haag wees dit verzoek af, waarna de vader in hoger beroep ging. De moeder stemde grotendeels in met de afwijzing, maar verzet zich tegen het oordeel over de uitoefening van het gezag en de proceskosten.
Het hof oordeelt dat de vader zijn gezagsrecht op het moment van de overbrenging niet daadwerkelijk uitoefende. Dit blijkt uit het feit dat de vader sinds 2019 nauwelijks contact had met de minderjarige, zonder fysieke ontmoetingen, en belangrijke gebeurtenissen in het leven van het kind niet deelde. De Spaanse rechter had eerder geoordeeld dat de overbrenging niet ongeoorloofd was volgens artikel 15 van Pro het Verdrag.
Het hof concludeert dat er geen sprake is van een ongeoorloofde overbrenging in de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag en dat de minderjarige bij de moeder in Nederland mag blijven. De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. De bijzondere curator wordt ontslagen van haar taak. Het hof bekrachtigt daarmee de bestreden beschikking, zij het op andere gronden dan de rechtbank.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep van de vader af en bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar Spanje.