In deze zaak staat het geschil over de verhuizing van een minderjarige en de inschrijving op een nieuwe school centraal. De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank die haar verzoek tot vervangende toestemming voor verhuizing en schoolinschrijving had afgewezen. De vader verzet zich tegen de verhuizing en de wijziging van de hoofdverblijfplaats.
Het hof heeft vastgesteld dat de moeder de verhuizing goed heeft voorbereid en dat de noodzaak tot verhuizing mede voortkomt uit het niet naleven van de zorgregeling, waardoor de moeder nauwelijks aaneengesloten dagen bij haar partner kon verblijven. De minderjarige staat positief tegenover de verhuizing en de nieuwe school, en is bijna 17 jaar, waardoor haar mening zwaar weegt.
Hoewel de vader vreest dat de verhuizing de band met de minderjarige zal schaden, is gebleken dat de relatie tussen vader en kind is verbeterd en dat zij samen therapie volgen. Het hof weegt het belang van de moeder en de wens van de minderjarige zwaarder en verleent de vervangende toestemming. De hoofdverblijfplaats blijft bij de moeder. De proceskosten worden gecompenseerd.