De zaak betreft de teruggeleiding van twee minderjarigen vanuit Nederland naar Algerije op verzoek van de vader. De rechtbank had de terugkeer gelast, maar de moeder ging in hoger beroep omdat zij wilde dat de kinderen in Nederland blijven.
Het hof stelde vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV) niet rechtstreeks van toepassing is omdat Algerije geen partij is, maar dat het verdrag als oriëntatiepunt wordt gebruikt. De terughouding van de kinderen in Nederland is ongeoorloofd volgens het verdrag, wat in beginsel onmiddellijke terugkeer rechtvaardigt.
Het hof oordeelde dat de oudste minderjarige (11 jaar) voldoende rijp is en zich uitdrukkelijk en consistent tegen terugkeer verzet, waarbij ernstige negatieve ervaringen in Algerije zijn onderbouwd. Voor de jongste minderjarige (8 jaar) werd het verzet niet aangenomen vanwege onvoldoende rijpheid, maar terugkeer zou leiden tot ondragelijke scheiding van de kinderen.
Daarom wijst het hof het hoger beroep van de moeder toe, vernietigt de bestreden beschikking en wijst het verzoek tot teruggeleiding af. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.