Belanghebbende, geboren in 1987, volgde een bacheloropleiding van 2010 tot 2014 en deed geen aangiften inkomstenbelasting over 2010, 2011 en 2013. Voor 2012 en 2014 werden wel aangiften ingediend met nihil inkomen en scholingsuitgaven als persoonsgebonden aftrek (pga). Voor 2016 werd een aanslag opgelegd met nihil belastbaar inkomen. Belanghebbende verzocht in 2021 om ambtshalve vermindering van deze aanslag wegens niet verrekende scholingsuitgaven uit 2010 en 2011, vanwege zijn visuele beperking.
De Inspecteur wees het verzoek af omdat het te laat was ingediend, gelet op de wettelijke termijn van vijf jaar na het kalenderjaar van de aanslag. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was. Het Gerechtshof bevestigt dit oordeel en overweegt dat belanghebbende sinds 2014 in staat was zijn fiscale belangen te behartigen en dat hij niet tijdig het verzoek had ingediend.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel en de menselijke maat faalt, omdat de wetgever bewust termijnen heeft gesteld en de rechter daaraan gebonden is. De Inspecteur heeft het restant pga voor 2016 terecht vastgesteld op €11.941. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.