ECLI:NL:GHDHA:2023:2113
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep internationale kinderontvoering: teruggeleiding kinderen naar Turkije geweigerd
Deze zaak betreft de teruggeleiding van drie minderjarige kinderen vanuit Nederland naar Turkije, waarbij de vader verzoekt om terugkeer en de moeder dit betwist. De rechtbank Den Haag had de teruggeleiding geweigerd op basis van het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV). Het hof bevestigt deze beslissing en wijst het hoger beroep van de vader af.
Het geschil draait om de vraag of de moeder de kinderen ongeoorloofd uit Turkije heeft overgebracht. Het hof stelt vast dat het peilmoment voor het gezagsrecht het moment van vertrek uit Turkije is, en dat de moeder op 17 mei 2023 met de kinderen Turkije heeft verlaten. De moeder had op dat moment het eenhoofdig ouderlijk gezag, terwijl de vader slechts omgangsrecht had, wat volgens het hof niet gelijkstaat aan gezagsrecht in de zin van het HKOV.
De vader voerde aan dat hij zeggenschap had over de verblijfplaats van de kinderen op grond van Turks recht en dat de moeder het uitreisverbod had overtreden. Het hof oordeelt dat het uitreisverbod niet relevant is voor de gezagsrechtelijke beoordeling en verwerpt de stelling dat het omgangsrecht ook zeggenschap over verblijfplaats inhoudt. De asielprocedure van de moeder en kinderen in Nederland wordt als een aparte procedure beschouwd en speelt geen rol in deze beslissing.
Het hof maakt geen gebruik van de mogelijkheid tot nader deskundigenonderzoek en concludeert dat er geen sprake is van ongeoorloofde overbrenging. De bestreden beschikking wordt bekrachtigd en de proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt de weigering tot teruggeleiding van de kinderen naar Turkije.