ECLI:NL:GHDHA:2023:215
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over toegang tot gehuurde woning na vermeende beëindiging huurovereenkomst
In deze zaak staat centraal of de verhuurder verplicht is de huurster toegang tot de woning te verlenen of dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd. De verhuurder stelt dat de huurovereenkomst is beëindigd, terwijl de huurster dit betwist en stelt dat zij onrechtmatig de toegang tot de woning is ontzegd.
De huurovereenkomst betreft woonruimte voor onbepaalde tijd. Partijen tekenden op 20 december 2021 een stuk waarin een uitstel van oplevering tot 31 januari 2022 werd vastgelegd, maar het hof oordeelt dat dit niet als beëindigingsovereenkomst kan worden aangemerkt omdat daarin geen duidelijke afstand van huurbescherming is opgenomen. De verhuurder meent dat de huurster op 9 januari 2022 de huurovereenkomst heeft beëindigd door sleutels in te leveren en de woning te ontruimen, maar het hof volgt de huurster omdat er sprake lijkt van een onvrijwillige ontruiming en het ontbreken van een rechtsgeldige opzegging.
De kantonrechter had de verhuurder reeds veroordeeld om toegang te verlenen tot het gehuurde en deze beslissing is in hoger beroep bekrachtigd. Het hof oordeelt dat de verhuurder niet gerechtvaardigd mocht vertrouwen op beëindiging van de huurovereenkomst en dat de huurster recht heeft op toegang, ook al is het gehuurde inmiddels aan een derde ter beschikking gesteld en is er sprake van huurachterstand.
De belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. De verhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, die nihil worden begroot omdat de huurster niet is verschenen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de verhuurder de huurster toegang tot het gehuurde moet verlenen omdat de huurovereenkomst niet is beëindigd.