In deze zaak vordert de vader in hoger beroep gezamenlijk ouderlijk gezag over zijn minderjarige kind, naast de moeder die het gezag alleen uitoefent. De rechtbank had dit verzoek eerder afgewezen en een omgangsregeling vastgesteld waarbij het kind elk weekend bij de vader verbleef. Het hof onderzoekt of er afwijzingsgronden zijn op grond van artikel 1:253c BW.
Het hof stelt vast dat de vader een wezenlijke rol speelt in het leven van de minderjarige en dat partijen in staat zijn om afspraken te maken over de zorg en opvoeding. Er is geen onaanvaardbaar risico dat het kind tussen de ouders klem raakt. Daarom wordt het verzoek tot gezamenlijk gezag toegewezen. Tevens wijzigt het hof de omgangsregeling in een zorgregeling, waarbij het kind voortaan van zondag 10.00 uur tot woensdag bij de vader verblijft.
De moeder had bezwaar tegen gezamenlijk gezag vanwege vermeende communicatieproblemen, maar het hof oordeelt dat deze niet aannemelijk zijn. De zorgregeling wordt aangepast met het oog op de behoefte van het kind aan voorspelbaarheid en stabiliteit, waarbij een wisselende wisseldag wordt afgewezen. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en vervangen door deze nieuwe regeling.