ECLI:NL:GHDHA:2023:2202
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep betwisting erkenning en gerechtelijke vaststelling ouderschap met DNA-onderzoek
Deze zaak betreft een hoger beroep over de betwisting van de erkenning van het vaderschap volgens Surinaams recht en de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap volgens Nederlands recht. De appellant verzocht aanvankelijk om een DNA-onderzoek met dwangsom en lijfsdwang om het biologische vaderschap van de belanghebbende vast te stellen. De rechtbank had de betwisting van het vaderschap van de eerder erkende vader gegrond verklaard en het ouderschap van de belanghebbende vastgesteld, maar wees het verzoek tot dwangsom af.
In hoger beroep stelde de appellant dat zij de verzoeken wilde intrekken zodra het DNA-onderzoek was uitgevoerd, maar werd zij door de rechtbank verrast doordat de procedure werd afgerond zonder haar die mogelijkheid te bieden. Het hof oordeelde dat de appellant ontvankelijk is in hoger beroep omdat zij redelijkerwijs mocht verwachten haar verzoeken te kunnen intrekken na het DNA-onderzoek. Na overleg tussen partijen trok de appellant het verzoek tot DNA-onderzoek in, waarna het hof de bestreden beschikking vernietigde en alsnog de verzoeken van de appellant afwees.
Het hof benadrukte dat de wettelijke procedure op grond van artikel 1:207 BW Pro niet bedoeld is om uitsluitend een DNA-onderzoek af te dwingen zonder gerechtelijke vaststelling van het ouderschap. De proceskosten werden gecompenseerd. De beslissing werd gegeven door een meervoudige kamer van het gerechtshof Den Haag op 25 oktober 2023.
Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en wijst de verzoeken tot betwisting erkenning en gerechtelijke vaststelling ouderschap af.