ECLI:NL:GHDHA:2023:2282
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar omzetbelasting wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende, werkzaam als commissiesecretaris bij een rijksinstelling, heeft over het tweede, derde en vierde kwartaal van 2018 omzetbelasting voldaan. Hij stelde later dat hij niet als ondernemer voor de omzetbelasting kwalificeerde en diende een bezwaarschrift in tegen de voldoening op aangifte, dat echter niet binnen de wettelijke termijn van zes weken werd ingediend.
De Inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en wees een verzoek om ambtshalve vermindering af. De Rechtbank vernietigde de niet-ontvankelijkverklaring gedeeltelijk vanwege het ontbreken van een verzoek om nadere informatie, maar handhaafde de gevolgen van de uitspraak. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
Het Hof oordeelde dat de bezwaartermijn onherroepelijk was verstreken en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was. Ook de stelling dat hij niet wist dat bezwaar mogelijk was, faalde gelet op zijn juridische achtergrond. Het Hof bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring en wees de overige bezwaren af, waaronder de vermeende schending van het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur.
De uitspraak op bezwaar was deugdelijk gemotiveerd en het hoger beroep werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het Hof benadrukte dat zelfs bij ontvankelijkheid het inhoudelijke bezwaar niet tot een voordeel zou leiden vanwege de terugbetalingsverplichting aan de wederpartij.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens termijnoverschrijding wordt bevestigd.