Belanghebbende, werkzaam als belastingadviseur, diende op 5 januari 2021 een suppletie omzetbelasting in voor het tijdvak juli tot en met september 2016, met een verzoek tot teruggaaf van €7.686. De Inspecteur kwalificeerde dit als een bezwaarschrift en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de wettelijke termijn. De Rechtbank bevestigde deze niet-ontvankelijkverklaring en verklaarde zich onbevoegd voor het verzoek om ambtshalve vermindering.
Belanghebbende stelde dat het bezwaar tijdig was ingediend en deed een beroep op het vertrouwensbeginsel, verwijzend naar een eerdere uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 9 december 2020. Het Hof oordeelde dat het bezwaar niet tijdig was ingediend, omdat het recht op teruggaaf uiterlijk in het derde kwartaal van 2016 vaststond en de suppletie pas in 2021 werd ingediend. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan en de eerdere uitspraak niet inhield dat teruggaaf zonder meer zou worden verleend.
Het Hof stelde vast dat de suppletie niet als een tijdig verzoek om ambtshalve vermindering kon worden aangemerkt en dat de Inspecteur de suppletie terecht als bezwaarschrift had behandeld. De niet-ontvankelijkverklaring werd bevestigd en het beroep ongegrond verklaard. De griffierechten werden teruggestort aan belanghebbende. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.