ECLI:NL:GHDHA:2023:2549
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning na bezwaar en hoger beroep
Belanghebbende is eigenaar van een tussenwoning uit 1933, waarvan de WOZ-waarde voor 2021 door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €355.000. Belanghebbende betwist deze waarde en stelt dat de woning in slechte staat verkeert, wat onvoldoende is meegenomen in de waardering.
De heffingsambtenaar heeft een taxatierapport en een waardematrix overgelegd met vijf vergelijkingsobjecten in dezelfde wijk. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn en dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Belanghebbende heeft een eigen taxatierapport overgelegd met een lagere waarde, maar dit rapport is onvoldoende onderbouwd en niet overtuigend.
In hoger beroep stelt belanghebbende dat niet alle gevraagde stukken zijn verstrekt en dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd. Het hof oordeelt dat de heffingsambtenaar heeft voldaan aan zijn informatieplicht door het toezenden van het taxatierapport en het ter inzage leggen van stukken. Ook is het motiveringsgebrek niet aannemelijk gemaakt.
Het hof bevestigt dat de WOZ-waarde is vastgesteld volgens de wettelijke normen en dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met de staat van onderhoud en andere factoren. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de WOZ-waarde van €355.000 en verklaart het hoger beroep ongegrond.