ECLI:NL:GHDHA:2023:2561
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hof bevestigt uitleg echtscheidingsconvenant en corrigeert verdeling depotbedrag woning
In deze zaak stond de uitleg van het echtscheidingsconvenant tussen ex-echtgenoten centraal, met name artikel 3.10 over de voormalige echtelijke woning en de rechten en lasten daarvan. De man ging in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam waarin het volledige depotbedrag van €160.000,- aan de vrouw werd toegewezen.
Het hof bevestigde dat het convenant conform de Haviltex-maatstaf moet worden uitgelegd, waarbij de bedoeling van partijen en hun gedragingen na ondertekening relevant zijn. De rechtbank had dit correct gedaan. De man stelde geen nieuwe feiten die tot een ander oordeel leidden en zijn grief over de toedeling van de woning aan hem werd verworpen.
Verder oordeelde het hof dat de kosten van de woning tot de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap (21 juni 2021) uit de gemeenschap van goederen komen en dat de man geen recht had op verrekening van kosten die hij na die datum betaalde zonder toestemming van de vrouw. Ook werd vastgesteld dat de vrouw voor de helft aansprakelijk is voor de gezamenlijke belastingschulden over 2020 en 2021.
Ten slotte vernietigde het hof het bestreden vonnis voor zover het volledige depotbedrag aan de vrouw werd toegekend en stelde het bedrag vast op €137.173,06. De man werd veroordeeld mee te werken aan de uitkering van dit bedrag aan de vrouw. De proceskosten werden gecompenseerd zodat ieder zijn eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het depotbedrag van €160.000,- wordt verlaagd naar €137.173,06 en de man moet daaraan meewerken.