ECLI:NL:GHDHA:2023:2715
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat onderwijsactiviteiten aan minderjarige leerlingen niet-economisch zijn voor btw-aftrek
Belanghebbende, een onderwijsinstelling die middelbaar beroepsonderwijs en voortgezet volwassenenonderwijs aanbiedt, voerde in hoger beroep aan dat al haar onderwijsactiviteiten economische activiteiten zijn en dat de door haar ontvangen bijdragen van leerlingen als vergoeding moeten worden aangemerkt voor btw-doeleinden.
De rechtbank had geoordeeld dat onderwijs aan leerlingen onder 18 jaar en BOL-opleidingen niet onder bezwarende titel worden verricht, omdat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de ontvangen bijdragen en de geleverde diensten. Dit oordeel werd door het Hof bevestigd, waarbij werd gewezen op jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU die stelt dat een vergoeding een werkelijke tegenwaarde moet zijn voor een individualiseerbare dienst.
Het Hof oordeelde dat de bijdragen slechts een gering deel van de kosten dekken en dat het verschil wordt gefinancierd uit algemene middelen, wat wijst op een heffing en niet op een vergoeding. Het beroep op het neutraliteits-, evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel werd verworpen. Het Hof zag geen aanleiding voor prejudiciële vragen en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.