In de strafzaak tegen verzoeker vond op 20 juni 2023 een terechtzitting plaats waarbij de raadsheren een beslissing namen die verzoeker onwelgevallig was. Op 21 juni 2023 diende de raadsman van verzoeker een wrakingsverzoek in tegen deze raadsheren, stellende dat de motivering van hun beslissing de schijn van partijdigheid wekte.
De raadsheren weigerden in de wraking te berusten en gaven aan niet aanwezig te zullen zijn bij de mondelinge behandeling. De wrakingskamer behandelde het verzoek op 5 juli 2023 en hoorde de raadsman en de advocaat-generaal. De advocaat-generaal stelde dat het verzoek niet-ontvankelijk was wegens niet-onverwijld indienen, maar de wrakingskamer oordeelde dat het verzoek tijdig was ingediend.
De wrakingskamer overwoog dat een onwelgevallige beslissing en de motivering daarvan geen grond voor wraking kunnen vormen, tenzij de motivering naar objectieve maatstaven niet anders kan worden uitgelegd dan als blijk van vooringenomenheid. Dit was niet het geval. De motivering hield rekening met het feit dat het alternatieve scenario nog onvoldoende was onderbouwd. Er was geen sprake van uitzonderlijke omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid opleverden.
Daarom wees het hof het wrakingsverzoek af en bepaalde dat een afschrift van deze beslissing aan alle betrokken partijen wordt toegezonden.