ECLI:NL:GHDHA:2023:507
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Vader zonder gezag niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen machtiging uithuisplaatsing
In deze zaak ging het om het hoger beroep van een vader tegen een beschikking van de rechtbank waarin de ondertoezichtstelling van zijn minderjarige kind was verlengd en een machtiging tot uithuisplaatsing was verleend. De vader had geen gezag over het kind, maar wel een omgangsregeling. Het hof oordeelde dat de vader daardoor geen belanghebbende was in de zin van artikel 798 lid 1 Rv Pro en verklaarde hem niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
De feiten betroffen een minderjarige die sinds 8 september 2020 onder toezicht stond van een gecertificeerde instelling en die vanwege ernstige problemen en specialistische behandeling was geplaatst in een jeugdhulpaccommodatie. De vader erkende het kind en had eens in de twee weken een weekend omgang, maar woonde niet bij het kind. De omgangsregeling was stopgezet omdat de vader weigerde aan begeleide omgang mee te werken.
Het hof bevestigde dat de machtiging tot uithuisplaatsing terecht was verleend vanwege de kwetsbaarheid van het kind, de ernst van de situatie met huiselijk geweld en de noodzaak van specialistische behandeling. De vader had geen recht op hoger beroep omdat hij niet het gezag had en niet direct bij de rechten en plichten betrokken was. Het beroep op het recht op respect voor familie- en gezinsleven (artikel 8 EVRM Pro) leidde niet tot een andere uitkomst.
De beslissing van het hof was om het hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Uitkomst: De vader is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de machtiging tot uithuisplaatsing van zijn kind.