Op 26 juni 2020 overleed de erflaatster die vijf erfgenamen benoemde, waaronder de executeur appellante. Geïntimeerden, familieleden die niet erfgenaam zijn, ontvingen schenkingen van de erflaatster. Appellante stelde dat deze schenkingen tot stand kwamen door misbruik van omstandigheden, omdat de erflaatster dementerend was en afhankelijk van geïntimeerden.
De rechtbank wees de vorderingen van appellante af en veroordeelde haar in de proceskosten. In hoger beroep vorderde appellante vernietiging van het vonnis en alsnog toewijzing van haar eisen, waaronder het afleggen van rekening en verantwoording door geïntimeerden.
Het hof oordeelde dat appellante onvoldoende feiten en omstandigheden had gesteld om misbruik van omstandigheden aannemelijk te maken. De omstandigheden van leeftijd en verblijf in een verpleeghuis zijn onvoldoende om een noodtoestand of afhankelijkheid aan te nemen. Het bewijsaanbod van appellante werd gepasseerd wegens onvoldoende stelplicht.
Ook de vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording werd afgewezen, omdat geen verplichting daartoe was gesteld of gebleken. De grief over proceskostenveroordeling werd verworpen omdat geen familierechtelijke verhouding bestond die tot kostencompensatie zou leiden.
Het hof bekrachtigde het bestreden vonnis en veroordeelde appellante in de proceskosten van het hoger beroep. Alle grieven werden gepasseerd en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.