De zaak betreft een docent die schadevergoeding vordert wegens de wijze waarop het schoolbestuur van Stichting Hindoe Onderwijs Nederland (SHON) de overeenkomst van opdracht heeft beëindigd. De docent had een overeenkomst voor het schooljaar 2018/2019, die door SHON met inachtneming van een opzegtermijn van één maand is opgezegd.
De kantonrechter wees de vorderingen af, omdat de opzegging volgens de overeenkomst rechtmatig was en er geen bewijs was voor een mondelinge verlenging van de opdracht voor het schooljaar 2019/2020. In hoger beroep wijzigde de docent haar grondslag naar onrechtmatige daad en vorderde een hogere schadevergoeding wegens gemiste omzet.
Het hof stelde vast dat SHON niet tekortgeschoten is in de nakoming van de opzegtermijn en dat er geen ander onrechtmatig handelen is aangetoond. De docent kon niet onderbouwen dat SHON een wettelijke plicht had geschonden of onzorgvuldig had gehandeld bij de opzegging. Ook de stelling dat SHON de overeenkomst eerder had moeten beëindigen, werd verworpen.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde de docent in de proceskosten van het hoger beroep. De vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad werd afgewezen.