In deze civiele familierechtzaak kwam de vrouw in hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag van 17 december 2021. De man betwistte de ontvankelijkheid van het hoger beroep omdat het beroepschrift fysiek pas op 12 april 2022 werd ontvangen, terwijl de beroepstermijn op 17 maart 2022 eindigde. De vrouw stelde dat het beroepschrift tijdig per e-mail was ingediend op 15 maart 2022, maar dat de fysieke exemplaren te laat waren nagezonden.
Het hof overwoog dat niet-ontvankelijkheid een zware sanctie is die terughoudend moet worden toegepast, zeker wanneer geen wettelijke sanctie bestaat. Hoewel de vrouw naliet het beroepschrift direct per post na te zenden of af te geven aan de balie, leidde dit niet tot schending van de goede procesorde. De wederpartij was via cc op de hoogte gesteld en niet geschaad in zijn belangen.
Het hof concludeerde dat het per e-mail ingediende beroepschrift aan alle wettelijke eisen voldeed en binnen de beroepstermijn was ontvangen. De vrouw werd ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep. De mondelinge behandeling werd aangehouden op verzoek van de vrouw, die ziek was en niet kon verschijnen. De zaak wordt op een later moment voortgezet.