Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
3.Feitelijke achtergrond
4.Procedure bij de (kantonrechter in de) rechtbank
jegens [appellant]onrechtmatig heeft gehandeld. Bovendien heeft [appellant] niet onderbouwd dat hij enige schade heeft geleden. Dat [appellant] zoals hij stelt griffierecht heeft betaald in verband met de Duitse procedure blijkt uit niets. Ook immateriële schade is niet onderbouwd. De vordering onder III is dus niet toewijsbaar. Bij de vorderingen I en II heeft [appellant] geen belang. Het door [appellant] gestelde principiële belang bij deze vorderingen is onvoldoende.
5.Beoordeling in hoger beroep
jegens hemonrechtmatig is. Deze grieven kunnen niet slagen.
jegens [appellant]. Zoals uit het voorgaande blijkt mocht deze intrekking niet aan [appellant] worden tegengeworpen. Het valt dan niet in te zien dat deze intrekking, zelfs indien deze onrechtmatig jegens IFC was, ook jegens [appellant] onrechtmatig was. Die intrekking kon zijn rechtspositie als zodanig, dus zonder de daarop gevolgde (later onterecht gebleken) aansprakelijkstelling van de Duitse belastingautoriteiten, immers op geen enkele wijze beïnvloeden.