De Heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een woning vast op €409.000 voor het jaar 2021 en legde een aanslag onroerendezaakbelasting op. Na bezwaar werd de waarde verminderd tot €392.000 en een proceskostenvergoeding van €397,50 toegekend, waarbij voor de hoorzitting slechts 0,5 punt werd toegekend. Belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde en de matiging van de proceskostenvergoeding handhaafde.
In hoger beroep betwistte belanghebbende de matiging van de vergoeding voor de hoorzitting, stellende dat de forfaitaire regeling niet per proceshandeling mag worden beoordeeld en dat geen bijzondere omstandigheden bestonden die afwijking rechtvaardigen. De Heffingsambtenaar verdedigde de matiging vanwege de gezamenlijke behandeling van 51 bezwaarschriften in een telefonische hoorzitting.
Het Hof oordeelde dat de Heffingsambtenaar niet voldeed aan de bewijslast van bijzondere omstandigheden die een afwijking van de forfaitaire regeling rechtvaardigen. De hoorzitting betrof verschillende WOZ-objecten met uiteenlopende geschilpunten, waardoor geen sprake was van een uniform karakter van de proceshandelingen. Het Hof vernietigde de eerdere uitspraken en veroordeelde de Heffingsambtenaar tot vergoeding van hogere proceskosten en griffierechten.