De Heffingsambtenaar had de WOZ-waarde van een woning vastgesteld en een proceskostenvergoeding toegekend voor het bezwaar. De rechtbank had geoordeeld dat de Heffingsambtenaar terecht was afgeweken van de forfaitaire regeling van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vanwege bijzondere omstandigheden, namelijk het gezamenlijk behandelen van 51 bezwaarschriften tijdens een telefonische hoorzitting, en had de vergoeding gematigd tot 0,5 punt voor de hoorzitting.
Belanghebbende stelde in hoger beroep dat deze matiging onterecht was omdat de bijzondere omstandigheden niet aannemelijk waren en dat de forfaitaire regeling niet per proceshandeling mocht worden beoordeeld. Het Hof oordeelde dat de Heffingsambtenaar niet voldeed aan de bewijslast voor bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in artikel 2, lid 3, Bpb, omdat de bezwaarschriften betrekking hadden op verschillende objecten met verschillende geschilpunten, waardoor geen sprake was van een uniform karakter van de proceshandelingen.
Het Hof vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar voor zover deze de proceskostenvergoeding betroffen. De Heffingsambtenaar werd veroordeeld tot betaling van een hogere proceskostenvergoeding van €1.094,20 en het griffierecht van €185 aan belanghebbende. Tevens werd vastgesteld dat de zaken als samenhangend konden worden aangemerkt voor de berekening van de kosten.
De uitspraak benadrukt het terughoudend toepassen van de uitzondering voor bijzondere omstandigheden in het Bpb en bevestigt dat de forfaitaire regeling in beginsel per proceshandeling geldt, tenzij overtuigend bewijs van bijzondere omstandigheden wordt geleverd.