De betrokkene was onderworpen aan een zorgmachtiging op grond van de Wvggz, waarbij de rechtbank Den Haag in 2021 een beschikking uitvaardigde die later door de Hoge Raad werd vernietigd wegens niet-naleving van de Wvggz. Na terugverwijzing stelde de rechtbank een aansluitende machtiging vast. De betrokkene vorderde vervolgens een schadevergoeding wegens de spanning en onzekerheid die hij had ervaren door de onrechtmatige situatie.
In eerste aanleg kende de rechtbank slechts een beperkte vergoeding toe, waarna de betrokkene in hoger beroep ging. Het hof oordeelde dat de spanning en onzekerheid niet beperkt konden worden tot de periode tot aan de medicatietoediening, maar de gehele periode van de machtiging betroffen. Tevens kon de betrokkene niet worden verweten dat hij geen klacht had ingediend vanwege zijn psychische kwetsbaarheid.
Het hof stelde vast dat de Staat de wet niet in acht had genomen en kende daarom een billijke schadevergoeding toe van € 10 per dag over 167 dagen, totaal € 1.670,-. De gevorderde wettelijke rente werd afgewezen en de proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.