Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
Schadevergoeding
de bestreden beschikking) de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. [5] Het hof heeft daartoe als volgt overwogen:
3.Belang
NJ2019/130, m.nt. A.I.M. van Mierlo en 22 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9705,
NJ2007/188. [11] De officier van justitie verzoekt Uw Raad de bestreden beschikking te vernietigen met veroordeling van betrokkene in de kosten van het geding. [12]
4.Juridisch kader
De termijn van art. 5:16 lid 1 Wvggz Pro en vrijwillige zorg
Schadevergoeding
Artikel 10:12
bin verbinding met lid 2 Bopz volgt dat het gedwongen verblijf van de betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis dan op grondslag van de voorafgaande machtiging wordt voortgezet zolang zulks voor het onderzoek door de rechter ter zake van de gevorderde aansluitende machtiging noodzakelijk is (vgl. HR 28 oktober 1994, NJ 1995, 125, rov. 3.5, en 4 november 1994, NJ 1995, 126, rov. 3.7).
NJ2015/345, m.nt. J. Legemaate betreft een geval waarin aan het verzoek tot schadevergoeding ten grondslag was gelegd dat de rechter bij de behandeling van een verzoek van de officier van justitie tot verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf de wettelijke beslistermijn had overschreden. In de periode van overschrijding verkeerde de betrokken patiënt in onzekerheid over de rechtmatigheid van zijn verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis. Het hof had beslist dat de betrokkene (enige) schade aannemelijk dient te maken: de enkele omstandigheid dat een procedureel verzuim is begaan, doet geen recht op vergoeding van immateriële schade ontstaan. Uw Raad overwoog:
NJ2021/73, m.nt. J. Legemaate, die niet-tijdige bijstand door een advocaat betrof, overwoog Uw Raad ten overvloede (r.o. 4.4):
NJ2021/105 [39] had betrekking op overschrijding van de in art. 5:16 lid 1 Wvggz Pro neergelegde termijn, die ook in de onderhavige zaak aan de orde is. Uw Raad overwoog:
in accordance with a procedure prescribed by law’). [41]
bepaaldefundamentele rechten in beginsel genoegen wordt genomen met de stelling dat daardoor schade is geleden. Maar inpassing in art. 6:106 BW Pro is (dus) niet nodig. Art. 10:12 Wvggz Pro kan m.i. zo worden gelezen dat, voor zover het gaat om een aanspraak op vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade, het een eigensoortige wettelijke grondslag biedt. Deze lezing heeft het voordeel dat de vraag of schending van een procedurevoorschrift grond is voor vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade in beginsel aan de wetgever wordt overgelaten (en niet steeds door interpretatie van art. 6:106 BW Pro hoeft te worden bereikt).
omvangvan de vergoeding naar billijkheid vast. Mij dunkt dat wanneer de betrokkene door de wetsschending vermogensschade heeft geleden, deze met inachtneming van art. 6:97 BW Pro op de gebruikelijke wijze dient te worden begroot en eventueel geschat. [55] Voor ander nadeel dan vermogensschade, waar het bij ‘spanning en frustratie’ doorgaans slechts om zal gaan, brengt vaststelling ‘naar billijkheid’ [56] mee dat het per definitie zal gaan om een intuïtieve schatting. Die behoeft in beginsel geen nadere motivering [57] en laat zich in cassatie slechts zeer beperkt, namelijk alleen op begrijpelijkheid, toetsen. [58]
NJ1997/682, m.nt. J. de Boer nog overwoog dat in het kader van art. 6:97 BW Pro niet de gewone regels inzake stelplicht en bewijslast gelden, is dat sinds HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:BH5410,
NJ2009/257 (
X/Axa) [63] niet langer vaste rechtspraak. Eerder is het zo dat de rechter met inachtneming van de aard van de beslissing (begroting mede aan de hand van een hypothetische situatie, soms schatting) een zeer grote mate van vrijheid heeft bij de waardering van bewijs. [64]
5.Bespreking van het cassatiemiddel
moetworden toegekend. De rechter
kanin zo’n geval schadevergoeding toekennen, namelijk indien (en voor zover) hij zulks billijk acht, maar is daartoe niet gehouden. De vraag of in een dergelijk geval op grond van art. 10:12 lid 3 Wvggz Pro daadwerkelijk recht bestaat op schadevergoeding, hangt af van alle omstandigheden van het concrete geval, zoals de vraag in wiens risicosfeer de ontstane termijnoverschrijding ligt. [75] Tevens stelt onderdeel B (onder 3.3) dat het rechtens onjuist is dat het – categorisch – in alle gevallen die onder het toepassingsbereik van art. 10:12 lid 3 Wvggz Pro vallen, lastig, zo niet onmogelijk, is om vast te stellen of, en zo ja, in hoeverre betrokkene enig (relevant) aandeel in de termijnoverschrijding heeft gehad. Of dat zo is, zal immers afhangen van de omstandigheden van het geval, zoals de vraag om wat voor psychiatrische aandoening het gaat en op welke grond betrokkene een aandeel in de termijnoverschrijding wordt verweten.
ofde betrokkene een schadevergoeding toekomt. Daartoe is in beginsel voldoende dat sprake is van een schending van de Wvggz door – in dit geval – de officier van justitie, alsmede van een verzoek om schadevergoeding gebaseerd op de stelling dat de betrokkene van die wetsschending nadeel heeft ondervonden. In dat geval is aannemelijk dat de betrokkene door de wetsschending schade in de vorm van spanning en frustratie heeft geleden en zal de rechter in beginsel een schadevergoeding moeten toewijzen. [77] Het uitgangspunt is dus niet, zoals onderdelen A en B aanvoeren, dat de rechter bij zijn oordeel over de vraag of in een concreet geval schadevergoeding op grond van art. 10:12 lid 3 BW Pro passend is, ‘alle omstandigheden van het geval’ in aanmerking neemt: hij moet beoordelen of in het licht van de normschending en de stellingen van de betrokkene aannemelijk is dat door de normschending in kwestie schade is geleden. [78] Deze beoordeling in het concrete geval impliceert dat de rechter onder omstandigheden tot het oordeel kan komen dat ondanks de wetsschending geen schade is geleden, of dat hij de schending en hetgeen daarover door de betrokkene naar voren is gebracht te gering acht om een schadevergoeding toe te wijzen. Wanneer de officier van justitie zich beroept op omstandigheden die erop wijzen dat betrokkene (in een bepaalde periode) geen schade heeft geleden of die rechtvaardigen dat, ondanks dat sprake is van een wetsschending en betrokkene wel schade heeft geleden, geen schadevergoeding moet worden toegekend, zal de rechter op die stelling moeten reageren en beoordelen of, en zo ja op welke wijze, hij die omstandigheden relevant acht.
ofin dit geval een aanspraak op schadevergoeding bestaat.
NJ2021/105, r.o. 3.2 overwoog Uw Raad overeenkomstig de door het onderdeel voorgestane ratio. De door het hof genoemde ratio van termijnen in de Wvggz sluit daarop aan. Totdat aan de betrokkene duidelijkheid is verschaft, kan hij in onzekerheid verkeren. Van een onjuiste rechtsopvatting getuigt het oordeel van het hof dus niet. [83] Dit subonderdeel is ongegrond.