Deze civiele zaak betreft de financiële afwikkeling van de overname van een supermarkt door appellant van verweerder. Na een tussenarrest in oktober 2023 zijn getuigenverhoren gehouden, waarna het hof oordeelt dat appellant geslaagd is in het bewijs dat hij op 6 januari 2018 een contante betaling van € 50.000,- aan verweerder heeft gedaan. Dit bedrag is hoger dan het door verweerder erkende bedrag van € 40.000,-.
Het hof weegt de verklaringen van appellant en zijn getuigen, die een consistente en overtuigende beschrijving geven van de betaling, tegen de minder consistente en onduidelijke verklaringen van verweerder en diens getuigen. Het hof acht de verklaringen van appellant en zijn getuigen voldoende sterk om het bewijs te leveren. Het hof komt niet terug op een eerdere eindbeslissing die bepaalde dat appellant bevoegd is tot verrekening van een bedrag van € 750,-.
Het gevolg van deze bewijslevering is dat het resterende bedrag van de overnamesom lager is dan de rechtbank eerder had vastgesteld. Daarnaast bevestigt het hof dat appellant de kosten voor de vervanging van een koelmotor moet dragen op grond van een aparte afspraak, ondanks betwisting van appellant. Het hof vernietigt het bestreden vonnis en doet opnieuw uitspraak over de betalingsverplichtingen, inclusief wettelijke rente en incassokosten. Beide partijen dragen hun eigen kosten.