Belanghebbende, huurder van een crèche/peuterspeelzaal, maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van de onroerende zaak vastgesteld op €551.000 voor het jaar 2021. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
In hoger beroep sloten partijen een compromis over de WOZ-waarde van €520.000. Het Hof stelde vast dat de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase ongeveer twee maanden bedroeg, waarvoor belanghebbende recht heeft op een vergoeding van €500. De Heffingsambtenaar werd veroordeeld tot betaling van deze schadevergoeding, proceskosten en griffierechten.
Het Hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar, wijzigde de WOZ-beschikking en verminderd de aanslag dienovereenkomstig. Tevens werd de Heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade, proceskosten en griffierechten, met wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.
De uitspraak is op 30 juli 2024 in het openbaar uitgesproken door het Gerechtshof Den Haag. Tegen deze uitspraak kan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.