Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2020, waarin het belastbare inkomen uit werk en woning werd vastgesteld op €13.604. Zij had in haar aangifte een lager netto-inkomen van €11.217 opgegeven, bestaande uit een uitkering van de gemeente, inkomsten uit vroegere arbeid en tegenwoordige dienstbetrekking.
De Inspecteur stelde dat het bruto-inkomen leidend is en verhoogde de aanslag op basis van loongegevens tot €13.604. Belanghebbende voerde aan dat het netto-inkomen correct was en betwistte de bevoegdheid van de belastingrechter om het bestuursrechtelijke systeem te beoordelen.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Gerechtshof bevestigde dit oordeel. Het Hof oordeelde dat het bruto-inkomen uit de Participatiewet correct was vastgesteld, dat belanghebbende onvoldoende onderbouwing gaf voor haar stellingen over schendingen van rechten en dat de belastingrente terecht was berekend.
De mondelinge behandeling vond plaats op 7 mei 2024, waarbij partijen verschenen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.